Antikwak en Prins Bernhard

Antikwak is maatschappelijk gezien een buitengewoon gevaarlijke vlerk, een engerd, die nodeloos grievend en veelal op onaanvaardbare en geraffineerde wijze de grenzen van de gevestigde orde en beschaving overschrijdt.

Zo kan de juistheid van dit standpunt blijken uit een door antikwak geschreven ‘In memoriam’ over Prins Bernhard. Het werd gepubliceerd in het ‘Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij’’ (nr. 1/2005), het voddenblaadje van de antikwakclub. Reeds in 1971 bezocht de prins in verband met rugklachten een in Londen gevestigde Chinese arts-acupuncturist. De voorliefde van de prins voor alternatieve geneeswijzen wordt op vuige en met ondermaatse kritiek besproken. Om duidelijk zijn afschuw jegens de alternatieve geneeswijzen te laten blijken wordt door antikwak op walgelijke wijze gerefereerd aan andere vreemde, hier absoluut niet ter zake doende acties van de prins, zoals zijn vermeende foute lidmaatschappen van de NSDAP en van de Reiter –SS.

Ook een andere lezer van het ‘Antikwak-blad’ (nr.2/2005), dr. F.J. Meijler, maakt bezwaar tegen de opmerkingen van antikwak over de prins. Hij schrijft:

‘Eigenlijk heb ik geen woorden voor het huichelachtige venijn waarmee Renckens Prins Bernhard postuum te lijf is gegaan (…..), maar mensen wegens het gebruik van alternatieve geneeswijzen, na hun dood, op deze wijze aan de schandpaal nagelen duidt er op dat Renckens het spoor van menselijk fatsoen is kwijt geraakt.’

En dan, in hetzelfde antikwakblad, volgt de reactie van antikwak. Geslepen en geraffineerd, laf en verwerpelijk, zijn handen in onschuld wassend, schrijft antikwak onder andere: “….Als ik hem had willen ‘afmaken’, dan had ik zeker meer nadruk moeten leggen op de wijze waarop hij zijn echtgenote bedroog en bij vrij jonge vrouwen buitenechtelijke kinderen verwekte, en meer moeten schrijven over de steekpenningen van Lockheed en wellicht nog andere bedrijven en over zijn ondermijning van het rechterlijk gezag door zijn aanbod om boetes van loshandig winkelpersoneel te betalen na een uiterst populistische berichtgeving erover in De Telegraaf. Dat heb ik allemaal niet gedaan. Mij valt dus weinig te verwijten.”

Welaan, dit bedoel ik, zo reageert een vlerk, een engerd van het ergste soort.

Toch nog gauw even op de valreep alles zeggen wat men aanvankelijk eigenlijk niet durfde zeggen. Een laag- en lafhartige streek. Als ik lid van die club, ‘de poel des verderfs’, zou zijn dan zou ik er op staan dat zo iemand als voorzitter met onmiddellijke ingang zou worden geroyeerd. Aan een dergelijke laffe schavuit, die zich met iets van een zekere duivelse grimmigheid boven God en eenieder verheven voelt, zou ik geen behoefte hebben.